Uitgebrachte adviezen

Het is de hoofdtaak van de Adviesraad om ongevraagd of gevraagd advies uit te brengen over zaken die in de regio Noardwest Fryslân van belang zijn binnen het sociaal domein.

Een aantal adviezen en reacties op een rij. Overigens is de raad veelvuldig in overleg met vertegenwoordigers van de Dienst Noardwest Fryslân en oefent via die weg invloed uit. De Raad adviseert alleen 'officieel' als dat nodig is. Het gaat om het resultaat. Als dat al is bereikt met informeel overleg, heeft dat evenveel waarde.

Onlangs heeft de Adviesraad geadviseerd over de WMO-verordening 2020 en heeft reacties gegeven naar aanleiding van de resultaten van het klanttevredenheidsonderzoek WMO en Jeugd 2019 en naar aanleiding van de plannen die betrekking hebben op de compensatie van het eigen risico in de zorg en op de AV-Frieso.

We verwijzen graag naar de brieven die u hieronder aantreft. Mocht u vragen hebben over de aanleiding, dan kunt u ons daarover altijd benaderen. Bij voorkeur met het contactformulier op de website.

Uitgelicht- Belangrijkste regelingen Sociaal Beleid in 2020

Nanne de Jong heeft een mooi overzicht gemaakt van de belangrijkste regelingen sociaal beleid in 2020. Nanne was jarenlang een drijvende kracht achter de Vereniging Fries Samenwerkingsverband Uitkeringsgerechtigden (een provinciale bundeling van belangenorganisaties van uitkeringsgerechtigden). Hier en daar is de tekst aangevuld. Ken uw recht. Vraag op tijd aan en stel vragen aan de Dienst NWF, aan de gemeente, het UWV of de zorgverzekeraar als als u niet zeker weet of u ergens voor in aanmerking komt. Hieronder de belangrijkste regelingen op sociaal gebied in 2020. Het gaat om de regelingen die door gemeenten, uitvoeringsinstanties en zorgverzekeraars worden uitgevoerd.

 

Participatiewet en bijstand

1. Bijstandsgerechtigden kunnen te maken krijgen met de kostendelersnorm. Het gaat dan om personen die met meer volwassen personen in 1 huis wonen waardoor de kosten voor levensonderhoud met elkaar gedeeld kunnen worden. Hoe meer personen in het huis wonen hoe lager de uitkering. De regeling geldt niet voor de partner, inwonende kinderen van 18 tot 21 jaar, studenten, leerlingen Beroeps Begeleidende Leerweg, bewoners in woon/zorggroepen (met hoofdverblijf in de eigen woning) en onderhuurders of kostgangers met een contract. Voor deze laatste twee commerciële woningdelers geldt wel datg er een commercieel huurbedrag moet zijn afgesproken. Als u een te laag bedrag bent overeengekomen met de verhuurder of kostgever, wordt u toch als kostendeler aangemerkt. Voor alle andere huisgenoten - ook inwonende ouders en mantelzorgers!- geldt de kostendelersnorm wel. Van personen die een IOAW of IOAZ uitkering hebben wordt 50% van de uitkering gekort, ongeacht het aantal medebewoners. De kostendelersnorm geldt ook voor de Aanvullende Inkomensvoorziening Ouderen en de uitkering van de Algemene Nabestaanden Wet.De gemeente heeft een overzicht van voor wie de kostendelersnorm geldt en hoe hoog de korting is.

2. Voor personen met een bijstandsuitkering, IOAW of IOAZ geldt de tegenprestatie naar vermogen: de gemeenten kunnen hen verplicht laten werken of studeren met behoud van uitkering. De gemeente moet wel uitgaan van de persoonlijke wensen en kwaliteiten van de persoon. Het werk wordt verricht in een beperkte periode en het mag niet om werkzaamheden gaan die anders betaald zouden worden. Mantelzorgtaken worden als tegenprestatie beschouwd. Alleenstaande ouders met volledige zorg voor kinderen tot 5 jaar zijn vrijgesteld van de tegenprestatie. 

3. Voor alleenstaande ouders met een bijstandsuitkering of IOAW/IOAZ-uitkering geldt de alleenstaanden-norm van 70% van het minimum. Ze ontvangen een extra bijdrage uit het kind gebonden budget van de Belastingdienst. Alleenstaande ouders met een toeslagpartner ontvangen geen extra kindgebonden budget.

4. Personen tussen 21 en 66 jaar en 4 maanden met een minimuminkomen hebben mogelijk recht op de individuele inkomenstoeslag. De gemeente bepaalt of iemand wel of niet in aanmerking komt voor deze toeslag op grond van drie voorwaarden: 1. Een langdurig laag inkomen en geen uitzicht op inkomensverbetering 2. Rekening houdend met de ‘krachten en bekwaamheden’ van de persoon en 3. Voldoende inspanningen leveren om aan het werk te komen. De gemeente mag aanvullende voorwaarden stellen. Die moeten dan wel in het eigen beleid zijn opgenomen. 

5. De mogelijkheden voor bijzondere bijstand zijn beperkt. De gemeente kan vanuit de bijzondere bijstand een gedeeltelijke teruggave van het verplicht eigen risico voor ziektekosten verstrekken. De gemeente mag voor een groot deel zelf bepalen hoe hoog het inkomen moet zijn om in aanmerking te komen voor minima-regelingen, het kindpakket en de collectieve zorgverzekering voor minima AV Frieso. Voor bijzondere bijstand is meestal ook van belang of er voor de kosten een zoheten voorliggende voorziening bestaat. Dat betekent dat vanuit die voorziening de kosten ook betaald kunnen worden. Dat gaat dan voor bijstandsverlening. In geval van medische kosten gelden bijvoorbeeld de Zorgverzekeringswet en de Wet Langdurigige zorg als voorliggende voorziening die 'toereikend en passend' is. De gemeente is dan ook niet verplicht om bijzondere bijstand te geven voor het deel van de kosten dat niet worden vergoed vanuit die voorziening. De wetgever heeft bepaald in dat geval dat een gedeeltelijke vergoeding wel genoeg is. Voor het ongedekte deel zou u zich dan aanvullend moeten verzekeren.

 

Andere regelingen Werk en Inkomen

1. In de Participatiewet zijn de Wet Werk en Bijstand, de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) en delen van de Wet Wajong samengevoegd.
Er komen geen nieuwe arbeidsplaatsen in de WSW: niemand wordt meer toegelaten. Door de gemeente wordt vastgesteld of mensen met een arbeidsbeperking in aanmerking komen voor een baan bij een ‘gewone’ werkgever of voor beschut werk (aangepast werk dat door de gemeente betaald wordt). Gemeenten hebben extra rijksgeld om meer beschutte werkplekken te regelen. In de kabinetsperiode 2017-2021 moeten er extra plekken komen voor 20.000 personen. Deze werkplekken moeten verplicht aangeboden worden aan mensen die niet in een gewone werkomgeving aan de slag kunnen. Tot 2026 moeten er 125.000 extra banen komen voor personen met een arbeidsbeperking: de banenafspraak.

Voor werknemers met een verminderd arbeidsvermogen verstrekt de gemeente aan de werkgever een loonkostensubsidie voor het verschil tussen de vastgestelde loonwaarde en het minimum. Dit geldt ook voor deeltijdbanen. Personen met een arbeidsbeperking worden zonder beoordeling door het UWV in het doelgroepregister opgenomen: de baan telt dan mee voor de banenafspraak. Dat geldt ook voor leerlingen van het voortgezet speciaal onderwijs en het praktijkonderwijs.

Herkeurde Wajongers met een arbeidsvermogen gaan niet over naar de bijstand maar blijven recht hebben op een Wajong uitkering. Hun uitkering is 70% van het minimumloon. Wajongers zonder arbeidsvermogen hebben recht op een uitkering van 75% van het minimumloon.

2. Het schattingsbesluit voor de beoordeling van arbeidsongeschiktheid is verder aangescherpt: de functieduiding is algemener waardoor minder mensen volledig arbeidsongeschikt verklaard worden. Bij werkhervatting vanuit de WIA wordt de eerste 5 jaar niet getoetst op het nieuwe verdien-vermogen. Deze regeling moet het aantrekkelijker maken om aan ’t werk te gaan.

3. De Inkomensvoorziening Oudere Werklozen (IOW), een uitkering voor werklozen vanaf 60 jaar die geen WW of WGA uitkering meer krijgen, blijft 4 jaar langer bestaan: verlengd van 2020 tot 2025. De IOW-uitkering duurt tot de pensioenleeftijd. Per januari 2020 wordt de toegangsleeftijd verhoogd naar 60 jaar en 4 maanden (de pensioenleeftijd is in 2020 66 jaar en 4 maanden). Omdat ook de IOAW (inkomensvoorziening voor oudere en deels arbeidsongeschikte werkloze werknemers) nog bestaat en deels de IOW overlapt kan het (heel soms) voorkomen dat iemand zowel voor de IOW als de IOAW in aanmerking komt. Nergens is voorgeschreven welke regeling dan voorgaat. Kies dan de IOW. Die is voordeliger, omdat het inkomen van de partner buiten de berekening blijft. In de IOAW is dan niet het geval.

4. Mensen in de bijstandsuitkering mogen een vrijwilligersvergoeding van maximaal € 1.700 per jaar behouden: de vergoeding wordt niet verrekend met de uitkering en is belastingvrij. Dat geldt ook voor bijstandsgerechtigden jonger dan 22 jaar: zij mogen 2,75 euro per uur aan vergoeding krijgen. De gemeente kan een financiële bijdrage of premie leveren voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Als iemand daadwerkelijk en aantoonbaar onkosten moet maken voor vrijwilligerswerk en deze worden vergoed dan kan een hoger bedrag dan € 1700,00 worden vrijgelaten.

5. Personen met een WW, IOW, ZW of WGA uitkering van het UWV zijn een jaar voor hun AOW vrijgesteld van sollicitatieplicht. Gemeenten kunnen deze vrijstelling voor mensen met bijstand, IOAW of IOAZ individueel geven.

6. Het UWV biedt meer persoonlijke dienstverlening: persoonlijke gesprekken in plaats van alleen digitaal contact. Er is extra aandacht voor dienstverlening aan cliënten die arbeidsongeschikt zijn of een arbeidsbeperking hebben. 

7. Er komt meer hulp bij het voorkomen van schulden (zoals omgaan met huishoudbudget) en snellere hulp als schulden ontstaan zijn. Woningbouwverenigingen, energie- en waterbedrijven en zorgverzekeraars kunnen bij betalingsachterstanden aan de bel trekken bij de gemeente. Dat kan nu gemeentelijk geregeld worden, per 1 januari 2021 gaat een wet dat bepalen. Ook in de regio Noardwest Frylân is veel aandacht voor deze 'vroegsignalering van schulden'. De gemeenten krijgen € 85 miljoen extra. Belangrijkste doel is het tegengaan van armoede onder gezinnen met kinderen. De gemeenten kunnen vooral de ‘kindpakketten’ uitbreiden. 

8. Er kan één betalingsregeling voor verschillende schulden bij de belastingdienst getroffen worden, uitgesmeerd over maximaal 24 maanden. De schulden kunnen ook verrekend worden met de toeslag die je krijgt. Gemeenten kunnen bij de rechtbank een incassopauze van maximaal 6 maanden aanvragen: in de afgesproken periode mogen incassobureaus geen actie ondernemen. Overheid en instanties moeten zich als schuldeiser aan de beslagvrije voet (90% van de bijstandsnorm, vanaf 2021 95% na invoering van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet) houden. Er komt een maximum aan de stapeling van boetes en een uitbreiding van betalingsregelingen.

Arbeidsmarkt

1.De wet Werk en Zekerheid  regelt de verbetering van de positie van flexwerkers, het versoepelen van het ontslagrecht en de verkorting van de WW-duur. Met ingang van 1 januari 2020 treedt de Wet arbeidsmarkt in balans (Wab) in werking. Deze wet bevat ingrijpende veranderingen van onderdelen van de wet Werk en Zekerheid zoals: * ontslag mag ook gegeven worden als sprake is van een 'optelsom van omstandigheden' * vaste aanstelling na drie jaar (in plaats van twee jaar) dienstverband (* mogelijkheid verlenging proeftijd van 2 naar 5 maanden).

Flexwerk: oneigenlijk gebruik van flexcontracten wordt tegengegaan om daarmee ‘draaideur-constructies’ te voorkomen. Werknemers kunnen na maximaal 3 opeenvolgende tijdelijke contracten in drie jaar (ketenbepaling) aanspraak maken op een vaste aanstelling. De pauze tussen de contracten blijft 6 maanden maar kan verkort worden naar 3 maanden op basis van CAO-afspraken. Een maand voor afloop van een tijdelijk arbeidscontract moet de werkgever dat aan de werknemer aanzeggen.

Ontslagvergoeding: werknemers die ontslagen worden hebben recht op een wettelijke vergoeding: de transitievergoeding. Dit recht geldt direct na het afsluiten van een arbeidsovereenkomst. De vergoeding – die maximaal € 81.000,- bruto kan bedragen - wordt ingezet voor het vergroten van kansen op een nieuwe baan, zoals voor scholing of outplacement. Als de werknemer het bedrag vrij wil besteden dan moet er belasting over betaald worden. De vergoeding wordt per 1 januari 2020 gebaseerd op het aantal dienstjaren x 1/3 maandsalaris. De werkgever heeft een scholingsplicht: de werknemer heeft recht op beroepsgerichte scholing die betaald wordt door het bedrijf.

De duur van de WW is vanaf 1 januari 2020 maximaal 2 jaar. Dat is dan de publieke uitkering. In CAO’s kunnen aanvullingen afgesproken worden, zodat de WW bijvoorbeeld nog verlengd kan worden met een jaar CAO-uitkering. De overheid stimuleert vaste dienstverbanden. Daarom wordt de WW-premie voor werkgevers per januari 2020 verlaagd naar 2,9% bij een vast arbeidscontract en verhoogd naar 7,9% bij een flexcontract.

2. Per 1 juli 2020 wordt het geboorteverlof voor de partner van de moeder verlengd naar 5 weken. De partner ontvangt in deze periode 70% van het loon.  

3. Personen vanaf  21 jaar hebben recht op het minimumloon. Voor jongeren van 18 tot 21 jaar geldt het minimumjeugdloon. De Wajong-uitkering is gekoppeld aan deze maatregelen.

 

Zorg en Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO)

1.Het verplicht eigen risico is in 2020 gelijk aan dat in 2019: € 385,-. De premie zorgverzekering gaat in 2020 met gemiddeld € 28,- per jaar omhoog. Dat verschilt per zorgverzekering omdat de verzekeraars de premie zelf vaststellen. De korting voor collectieve zorgverzekeringen wordt gehalveerd. Gevolg is dat voor deze verzekering de premiestijging een stuk hoger kan uitvallen: van 80 tot 100 euro per jaar.   

2. De maximale zorgtoeslag voor meerpersoonshuishoudens is in 2020 € 2.388,-. Voor eenpersoonshuishoudens is dat € 1.248,-. De hoogte van de zorgtoeslag is afhankelijk van het inkomen en het vermogen (te berekenen via toeslagen.nl).

3. De Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) verplicht gemeenten om meer zorgtaken en welzijnstaken uit te voeren. De burger heeft geen recht meer op een voorziening. De gemeente beoordeelt de situatie van de persoon en bepaalt dan welke voorziening nodig is: de maatwerkvoorziening. Medewerkers van de gemeente of van de sociale wijk/gebiedsteams voeren de (‘keukentafel’) gesprekken bij de burger thuis. In deze gesprekken wordt eerst bekeken in hoeverre de persoon hulp kan krijgen van partner, kinderen, vrienden of buren of via een algemene voorziening (zoals een boodschappendienst). Als dit niet mogelijk is dan wordt vastgesteld welke persoonlijke maatwerkvoorziening van de gemeente nodig is.

Bij het gesprek mag een vertrouwenspersoon – zoals een ouder kind of mantelzorger – aanwezig zijn. De persoon heeft ook recht op het inschakelen van een Onafhankelijke Cliënt Ondersteuner, zoals een cliëntondersteuner van MEE,  Zorgbelang Fryslân of van vrijwilligersorganisaties. Deze ondersteuners mogen bij het gesprek aanwezig zijn en kunnen ook helpen bij het voorbereiden van het gesprek. De cliënt heeft recht op een afschrift van de rapportage door de medewerker. Na de vraag om zorgsteun duurt het maximaal 6 weken om het gesprek te voeren en de aanvraag in te dienen. De gemeente beslist dan binnen 2 weken.

De gemeente kan hulp door kinderen, vrienden of buren niet afdwingen en heeft een wettelijke zorgplicht om steun te geven. Er is sprake van een zogenaamde resultaatsverplichting door de gemeente, maar de gemeente mag zelf bepalen op welke wijze en met welke voorzieningen persoonlijke steun wordt gegeven.

4. Gemeenten hebben een compensatieplicht: ze moeten cliënten in staat stellen om hun huishouding te kunnen doen, zich te kunnen verplaatsen, hun dagelijkse levensverrichtingen te kunnen doen en de regie te kunnen voeren.

5. Gemeenten en zorgverzekeraars zijn samen verantwoordelijk voor de zorg aan ouderen en gehandicapten die niet in een instelling wonen. Het beleid is er op gericht dat deze personen langer thuis kunnen wonen: de zorg komt naar de mensen toe. De huishoudelijke hulp zal daardoor ook meer gegeven moeten worden door gezinsleden, familie en vrijwilligers. Hulp in de huishouding is geen aparte WMO-voorziening, het gaat om het toepassen van een maatwerkvoorziening. Verschillende gemeenten hanteerden een zogenaamde ‘resultaatgerichte' indicatie: het resultaat moet dan een ‘schoon en leefbaar huis’ zijn. De Centrale Raad van Beroep heeft echter bepaald dat deze algemene belofte onvoldoende is en dat de huishoudelijke hulp of ondersteuning in uren uitgedrukt moet worden.

6. Per januari 2020 geldt het vaste abonnementstarief voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen in de WMO: de eigen bijdrage WMO is dan voor iedereen € 19,- per maand, ongeacht de hoogte van het inkomen of de draagkracht. De gemeente kan een lagere bijdrage vaststellen. Als al een eigen bijdrage WLZ wordt betaald dan wordt er geen eigen bijdrage WMO gevraagd.

7. De extramurale verpleging en persoonlijke verzorging (zorg buiten een instelling, thuis bij de persoon) worden geboden vanuit de Zorgverzekeringswet. De wijkverpleging valt ook onder deze wet en heeft een belangrijke rol bij het mogelijk maken dat mensen langer thuis blijven wonen. In de Wet Langdurige Zorg (WLZ)  is alleen nog de zware en langdurige zorg ondergebracht. Huishoudelijke hulp WLZ wordt betaald door het Zorgkantoor.

8. De cliënt kan kiezen of de thuishulp in natura of via een Persoons Gebonden Budget (PGB) gegeven wordt. Voorwaarden voor het verkrijgen van een PGB zijn: * het budget goed kunnen beheren * veilige en goede steun inkopen. Verschillende gemeenten hebben op hun website een PGB-test (digitale vragenlijst) staan om te kunnen checken of iemand in aanmerking komt voor een PGB. Het PGB-bedrag wordt niet op de bankrekening van de cliënt gestort maar wordt beheerd door de Sociale Verzekerings Bank.

9. Gemeenten moeten investeren in voorzieningen voor mantelzorgers, ter voorkoming van overbelasting van de mantelzorgers. Dan gaat het om geld voor bijvoorbeeld tijdelijke vervanging (respijthulp) of voor logeermogelijkheden bij cliënten thuis. Gemeenten kunnen als extra waardering ook een jaarlijkse financiële bijdrage (‘compliment ') verstrekken aan de mantelzorger. De zorgontvanger en/of mantelzorger kunnen dit aanvragen.

10. De gemeenten verstrekken een tegemoetkoming voor chronisch zieken en gehandicapten als ‘maatwerkvoorziening’ in de WMO of via de bijzondere bijstand (vaak opgenomen in de gemeentelijke collectieve zorgverzekering AV Frieso). De gemeente bepaalt of de tegemoetkoming nodig is. De Tegemoetkoming ouders gehandicapte kinderen (TOG) is opgenomen in de kinderbijslag (2x kinderbijslag voor thuiswonend gehandicapt kind).

 

(met dank aan Nanne de Jong)